Handelsoorlog is geen oplossing

Soms lijkt het nergens anders over te gaan. Het opleggen van heffingen op import uit diverse landen. Vaak volkomen willekeurig, maar altijd met desastreuze gevolgen voor de internationale handel en daarmee voor de economie van de betrokken landen. Amerika blijft goederen importeren omdat de Amerikaanse consument ze wil kopen. Als daar 10, 20 of 50% aan importheffing bovenop komt wordt het leven voor de Amerikaanse consument dus duurder. De inflatie loopt op. Economisch gezond verstand had veel ellende kunnen voorkomen.

Daarom het onderstaande essay van Jo Spätgens waarin hij pleit voor vrije wereldhandel, onder bepaalde voorwaarden.


Internationale handel als bron van welvaart en bestaanszekerheid

“Bescherming van de thuismarkt in een vrije wereldeconomie”

De uitdaging

Als we ons huidige niveau van welvaart willen behouden en veilig willen stellen voor volgende generaties moeten we inzetten op de vrije markt en op vrijhandel. Onze open economie heeft ons immers al vele eeuwen voorspoed gebracht. Vrijhandel overigens wel met oog voor de bescherming van onze thuismarkt tegen dumping en tegen producten uit landen met een absurd en economisch onverantwoord laag loonniveau. Een gelijk speelveld is immers van groot belang. Het is tijd voor een nieuw soort vrijhandelsovereenkomst. Een model daarvoor zal ik in dit essay nader uitwerken.

Er moet een einde komen aan de sluipende politiek van de-industrialisatie en het wegpesten van onze succesvolle agrarische sector. Het is onmogelijk onze welvaart te behouden in een economie die grotendeels gebaseerd is op de dienstensector.

Bestaanszekerheid

Plotseling had iedereen het in de afgelopen jaren over “bestaanszekerheid”. Het woord domineerde een groot deel van de campagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 en 2025. En ook tijdens de daaropvolgende kabinetsformaties was het woord bestaanszekerheid alom tegenwoordig. Waar hebben we het dan precies over? Natuurlijk, het woord valt uiteen in twee herkenbare delen, bestaan en zekerheid. Maar dat schept nog steeds niet de gewenste duidelijkheid.

De meest gangbare definitie luidt: “een bestaan met voldoende en voorspelbaar inkomen, een woning, toegang tot onderwijs en zorg en een buffer voor onverwachte uitgaven”. Deze definitie is afkomstig van Divosa, de vereniging van leidinggevenden in het sociaal domein. Nadeel van deze fraaie definitie is dat bestaanszekerheid grotendeels wordt versmald tot de sociale en financiële component. Dat is zeker belangrijk, maar er is meer. Bestaanszekerheid vereist ook een veilige samenleving, een overheid die haar burgers beschermt tegen criminaliteit en tegen vijanden van binnen en buiten Nederland. Bestaanszekerheid vereist ook een democratische rechtstaat waarin voor iedereen duidelijk is wat zijn of haar rechten en plichten zijn. Bestaanszekerheid vereist verder een vrije economie waar eenieder de mogelijkheid heeft in de eigen levensbehoefte te voorzien.

Hoe snel bestaanszekerheid aan erosie onderhevig is blijkt uit het volgende voorbeeld.

Enkele decennia geleden was het voor een gezin met een middeninkomen nog mogelijk om met één kostwinner het gezin te onderhouden, comfortabel te wonen, een auto te rijden, een keer per jaar op vakantie te gaan, te voorzien in een goede opleiding voor de kinderen etc. Deze zaken zijn nu voor de meeste mensen alleen nog maar weggelegd als sprake is van twee fulltime werkende partners. Als het dan al mogelijk is natuurlijk. Waar ging het fout in ons land?

Bestaanszekerheid waarborgen kost geld. Geld dat wij als handelsnatie voor een groot gedeelte verdienen met import en export. En daarmee zien we door de jaren heen een niet te ontkennen verband tussen Nederland als succesvolle handelsnatie en het bieden van een hoge mate van bestaanszekerheid aan de Nederlandse bevolking. Het behouden en ook het verder uitbouwen van de bestaanszekerheid hangt dus nauw samen met de mate waarin Nederland actief is op de wereldmarkt. Het vrij kunnen exporteren van in Nederland geproduceerde goederen is essentieel. Ook de doorvoer van goederen via de haven van Rotterdam en de luchthaven Schiphol levert een substantiële bijdrage. Onze exporterende industrie moet voor ons land behouden blijven. Pogingen om Nederland te de-industrialiseren via steeds hoger wordende (energie-)kosten, regelgeving, bureaucratie, gebrekkige opleidingen en dergelijke dienen de zaak beslist niet. En zeker niet onvermeld blijven mag hier onze enorm productieve en succesvolle sector die landbouw, veeteelt, visserij en bloementeelt omvat. Op dit terrein is ons kleine land de in omvang tweede exporteur ter wereld. Een direct gevolg van het feit dat na de hongerwinter voedselzekerheid door opeenvolgende Nederlandse regeringen tot topprioriteit gemaakt werd. Dit alles levert een mooie bijdrage aan ons nationale inkomen en daarmee aan de bestaanszekerheid van meer dan 18 miljoen inwoners.

---------------------------------------------------

“De Cost Gaet voor de Baet Uyt”

Bekend gezegde uit de Gouden Eeuw

---------------------------------------------------

Handel

Sinds het ontstaan van de mensheid wordt handel gedreven. Handel in voedingsmiddelen om te overleven, handel in gebruiksgoederen om het leven gemakkelijker te maken en er iets aan te verdienen. In het begin natuurlijk nog alleen in de vorm van ruilhandel. Maar met de opkomst van de eerste munten werden de handelsstromen in contanten afgerekend.

Duizenden jaren geleden speelde handel zich voornamelijk in de eigen regio af, van dorp tot dorp en van nederzetting tot nederzetting. Eerst ging het nog over handel tussen de producent en de consument. Of de landbouwer die zijn producten direct aan de stedeling verkocht. Rondtrekkende marskramers zorgden voor een stuk innovatie. Zij kochten goederen op en namen ze mee naar andere steden en dorpen om ze daar met een winstopslag weer aan de man te brengen.

Voor en door de handel werd de wereld steeds kleiner. Op zoek naar nieuwe producten en een stuk winstbejag werden steeds grotere afstanden afgelegd. Het Hanze samenwerkingsverband omvatte grote delen van noordwest Europa en het Oostzeegebied. De zijderoute tussen China en voornamelijk Zuid-Europa ontstond. En dan natuurlijk de succesvol over de wereldzeeën varende VOC-vloot, een bedrijf dat als eerste multinational geldt. De kleine handelaar werd dus deels vervangen door grote ondernemingen die wereldwijd handel gingen drijven en die hun daarvoor benodigde kapitaal bijeen brachten door middel van een andere Nederlandse noviteit, de uitgifte van aandelen.

Invoerrechten

Het duurde natuurlijk niet lang tot de overheid, in die begintijd nog hoofdzakelijk lokale en regionale alleenheersers, in de gaten kreeg dat ook voor hen wat te verdienen viel. Naast tolheffing op wegen en vaarwegen gebaseerd op personen of voertuigen werden al snel ook de getransporteerde goederen onderdeel van een heffing. Zo werd het stelsel van invoerrechten (of doorvoerrechten) ingevoerd dat we tot op de dag van vandaag nog steeds kennen.

In tegenstelling tot tolheffing, waar een directe tegenprestatie tegenover staat in de vorm van het gebruik van de weg of brug, is van een dergelijke tegenprestatie bij invoerrechten of bij belastingen in zijn algemeenheid geen sprake. De inkomsten uit deze bronnen vloeien in de algemene middelen.

Waren het destijds nog de lokale heersers die volstrekt willekeurig invoerheffingen oplegden, later werd het systeem regionaal geharmoniseerd. Met de opkomst van de natiestaten worden het landelijke heffingen die aan de buitengrenzen geheven werden en niet meer tussen regio’s en provincies.

Heffingen, invoerrechten, vormen een belangrijke inkomstenbron voor veel landen. De 27 lidstaten van de Europese Unie dragen de invoerrechten die worden geheven op goederen van buiten de EU overigens in hun geheel af aan de Unie. Deze invoerrechten zijn daarmee een substantieel onderdeel van de EU-begroting.

Een ander doel van het heffen van invoerrechten is het beschermen van de eigen markt. Daardoor worden geïmporteerde producten duurder dan de in eigen land geproduceerde waren. Dit zogenaamde protectionisme wordt door veel landen toegepast. Hierover later meer.

Douane-unie

In de loop der eeuwen ontstonden diverse douane-unies. Twee of meer landen die nauw aan elkaar verbonden waren spraken af onderling geen invoerrechten te heffen. Al hebben deze douane-unies in diverse vormen een lange geschiedenis, echt grootschalige toepassing komen we pas in de tweede helft van de twintigste eeuw tegen. De Benelux is een bekend voorbeeld. Dit samenwerkingsverband tussen de landen België, Nederland en Luxemburg werd nog voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, op 5 september 1944, in Londen gesloten. Deze samenwerking tussen de drie landen bevatte hoofdzakelijk elementen van een douane-unie.

De Benelux was daarmee een belangrijke voorloper van en inspiratiebron voor de latere handelsunie Europese Economische Gemeenschap (EEG), die op haar beurt dan weer de voorloper van de huidige Europese Unie was.

Europese Unie

De Europese Unie is een volledige vrijhandelszone. Goederen kunnen vrij van alle heffingen in de gehele Europese Unie verhandeld worden. Deze omstandigheid heeft er mede toe geleid dat de Unie een machtig economisch blok werd naast de Verenigde Staten en China. Door de Europese integratie op een veelheid van beleidsterreinen en de mogelijkheid om vanuit Brussel wetten en regels op te leggen aan de lidstaten is het handhaven van deze vrijhandelszone in de EU uiteraard een stuk gemakkelijker te realiseren dan wanneer het uitsluitend een op deelafspraken gebaseerd handelsakkoord tussen landen zou betreffen.

Ondanks deze onmiskenbare economische voordelen is de uitholling van de eigen soevereiniteit ten faveure van meer macht naar Brussel inmiddels voor veel lidstaten ook een groeiend bezwaar geworden. Dit heeft onder andere geleid tot de Brexit, waarbij een economische grootmacht als het Verenigd Koninkrijk de Unie verliet.

Een belangrijk bezwaar tegen de reguleringsdrift van de EU is dat daardoor de Unie aan innovatiekracht inboet.

Handelsakkoorden

Daar waar de EU door haar nauwe samenwerking een vrij uniform blok vormt in de internationale handel zien we in andere delen van de wereld meerdere handelsakkoorden tussen landen of groepen van landen. In een dergelijk handelsakkoord worden afspraken gemaakt over het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van invoerrechten en andere heffingen. Ook worden zaken geregeld die betrekking hebben op product- en voedselveiligheid. Er bestaan nauwelijks handelsakkoorden waarin niet ook nadrukkelijk is vastgelegd hoe onderlinge meningsverschillen worden beslecht.

Een economisch sterk blok met een handelsakkoord is USMCA. Dat is de vrijhandelsovereenkomst in Noord-Amerika tussen de VS, Canada en Mexico. USMCA (2020) is de vervangende overeenkomst voor NAFTA, het voormalige North American Free Trade Agreement uit 1994. Helaas wordt dit vrijhandelsakkoord nu door President Trump ernstig uitgehold met zijn invoerheffingen.

Over het algemeen sluiten individuele landen vrijhandelsovereenkomsten met elkaar.

De Europese Unie vormt daarop een uitzondering door als blok van 27 landen collectieve overeenkomsten uit te onderhandelen en af te sluiten. Zoals bijvoorbeeld de handelsovereenkomst met Canada (CETA), die dan wel weer door 27 nationale parlementen geaccordeerd moet worden alvorens deze volledig in werking kan treden. Het Nederlandse parlement keurde deze overeenkomst goed in 2022, andere EU-landen twijfelen nog.

Helemaal consequent is deze gang van zaken natuurlijk niet. Het zou meer voor de hand liggen om als EU een vrijhandelsovereenkomst te sluiten met het hele USMCA blok ineens. Maar daarover later meer.

Protectionisme of marktbescherming

Hoge invoerrechten kunnen worden ingezet als een instrument om de thuismarkt te beschermen tegen te goedkope invoer van goederen. Vaak gaat het dan over dumping. Een buitenlandse handelsnatie met lage lonen of uitgebreide subsidieregelingen voor de industrie verkoopt goederen in een ander land dat met dat prijsniveau onmogelijk kan concurreren. Doel is dan vaak de producenten in het ontvangende land uit de markt te drukken en hun marktpositie over te nemen, waarna de onvermijdelijke prijsverhogingen door de importerende partij alsnog plaatsvinden. Behalve met algemene invoerheffingen kunnen landen zich hiertegen ook wapenen door anti-dumping wetgeving. Een extra hoge anti-dumping heffing wordt dan toegepast op de geïmporteerde goederen. Ook worden in vrijhandelsovereenkomsten vrijwel altijd anti-dumping bedingen opgenomen.

Als echter een land zonder dat sprake is van dumping of absurd lage prijzen door middel van invoerrechten een muur opwerpt om internationale handel buiten de deur te houden en daarmee de eigen industrie te beschermen, dan spreken we van protectionisme.

Protectionisme is in alle gevallen in strijd met het idee van vrije handel. Landen die zich hier consequent aan schuldig maken ondervinden op termijn zelf de nadelen hiervan. Zou President Trump zich dit realiseren?

In de afgelopen jaren blijkt China tegen lage prijzen elektrische auto’s te exporteren naar de EU en Noord-Amerika. De Europese en Amerikaanse producenten van stekkerauto’s dreigen op oneerlijke wijze beconcurreerd te worden. De Chinese overheid verstrekt immers miljarden euro’s subsidie aan de auto- en accu-industrie. Zowel de EU als de Amerikanen nemen meteen tegenmaatregelen, een anti-dumping heffing op Chinese elektrische auto’s. Een maatregel die in een autoland als Duitsland niet met gejuich werd ontvangen. De gevolgen voor de eigen auto-industrie die men vreesde is inmiddels volop werkelijkheid geworden. Duitsland exporteert door Chinese teenmaatregelen minder luxe auto’s naar China. Tegelijk groeit het aandeel Chinese auto’s op Europese wegen. Dit ondanks de EU-matregelen.

China probeert de heffingen deels te omzeilen door de bouw van autofabrieken in Hongarije en Mexico. Van daaruit kunnen probleemloos de auto’s verkocht worden binnen de EU en binnen USMCA. Via die omweg worden de auto’s dan toch duurder. Immers ligt het loonniveau hoger dan in China en gaan de nieuwe bedrijven nationaal en regionaal belasting afdragen. Is het glas daarmee half vol of half leeg?

Het wachten is op maatregelen tegen de luchtvaartmaatschappijen uit de Arabische Golfregio die met flinke subsidies oneerlijk concurreren tegen Europese luchtvaartmaatschappijen en luchthavens.

En dan is daar natuurlijk nog de ongezonde afhankelijkheid van de chipmachine fabrikant ASML uit de regio Eindhoven ten opzichte van China en Taiwan. Een te groot deel van de export van dit voor de Nederlandse industrie ontzettend belangrijke bedrijf gaat naar deze landen. Een beperkte geopolitieke verstoring is al voldoende om die exportpositie te laten instorten. Met enorme gevolgen voor de regio Eindhoven. Ook hier moet sprake zijn van marktbescherming. Maar dan met als inzet het zo veel mogelijk diversifiëren van je exportportefeuille.

Vrije markteconomie

Vrijhandel kan alleen gedijen in een vrije markteconomie, waar onder andere vraag en aanbod bepalend zijn voor de economische activiteiten. En daarmee wordt absoluut niet die vorm van kapitalisme bedoeld die door politiek links graag wordt afgeschilderd als ‘het recht van de sterkste’. Sterker nog, die vorm van kapitalisme die links als spookbeeld debiteert bestaat helemaal niet. In elke vrije markteconomie is sprake van bepaalde door de overheid gecreëerde kaders waarbinnen het economische proces zich kan bewegen. Zo ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw dan ook de term ‘sociale markteconomie’.

De vrije markt leeft van concurrentie en de vrijheid van ondernemen. Door concurrentie komen kwalitatief betere en goedkopere producten op de markt in de juiste hoeveelheden om de consument tevreden te stellen. Daar kan geen staatsgeleide economie tegenop. De vrije markt zorgt ook voor innovatie op tal van terreinen, niet op de laatste plaats in de gezondheidszorg en in de milieutechniek.

Om het met de woorden van Johan Norberg (auteur van The Capitalist Manifesto) te zeggen: “Het kapitalisme is absoluut superieur”.

--------------------------------------------------------------

“Het kapitalisme is absoluut superieur”

Johan Norberg

--------------------------------------------------------------

Een eenvoudig en eerlijk belastingstelsel

Zowel vrijhandel als de vrije markteconomie hebben behoefte aan fiscale stabiliteit en zekerheid. Een eenvoudig en eerlijk belastingstelsel is daarvoor onontbeerlijk. Tarieven voor de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting die hoog genoeg zijn om de overheid in staat te stellen om alle belangrijke taken uit te voeren. Tarieven die aan de andere kant ook laag genoeg zijn om werken en ondernemen de moeite waard te laten zijn. Consumentenuitgaven zijn immers belangrijk voor de economie. En bedrijven moeten winst maken om te kunnen blijven innoveren en investeren.

Fiscale schijnconstructies en internationaal concurrentievervalsende constructies mogen geen enkele rol van betekenis spelen tussen landen die een vrijhandelsverdrag afsluiten.

 

Positie ontwikkelingslanden

In de vrije wereldhandel nemen ontwikkelingslanden altijd een bijzondere plaats in. Volgens een definitie van zowel het IMF (Internationaal Monetaire Fonds) als de Wereldbank is een land een ontwikkelingsland als per hoofd van de bevolking het binnenlands product niet meer dan ruim 12.000 US Dollar bedraagt. Deze definitie is dringend aan herziening toe. Want volgens deze berekening is ook China een ontwikkelingsland, met alle gunstige voorwaarden die daaraan verbonden kunnen zijn. Dit kun je gelet op de economische macht van China moeilijk volhouden.

Laten we eens kijken naar echte ontwikkelingslanden. Straatarm met een minimaal producerende economie. In de loop van de afgelopen decennia zijn door rijke Westerse landen vele miljarden aan ontwikkelingshulp uitgegeven. Met de allerbeste bedoelingen overigens. Mag je dan constateren dat sprake is van een tegenvallend resultaat, aangezien de meeste van de ontwikkelingslanden er maar bar weinig mee opgeschoten zijn? Zou het niet beter zijn om de ontwikkelingslanden mee te nemen in constructies voor eerlijke handel, zodat de weg naar welvaart en economische zelfstandigheid sneller en op eigen kracht bereikt kan worden?

Eerlijke handel in plaats van ontwikkelingshulp.

 

De weg naar een eenvoudig en eerlijk handelsakkoord

Maar nu moeten we nog tot een eerlijk en werkbaar, en vooral eenvoudig handelsakkoord komen. Een handelsakkoord dat landen en groepen van landen aan elkaar bindt, zonder overigens die landen in de wereld die het wat minder goed getroffen hebben uit te sluiten. Laten we eens kijken naar het verdrag dat er (voorlopig) niet kwam. Het verdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten.

Het verdrag “Transatlantic Trade and Investment Partnership”, beter bekend onder de naam TTIP had het meest omvangrijke handels- en investeringsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika ooit moeten worden. Onderhandeld werd hierover tussen juli 2013 en januari 2017. Zowel aan de kant van de regering Trump als aan Europese kant was het verdrag aan stevige kritiek onderhevig. Ook de regering Biden heeft sinds haar aantreden in 2021, evenals de Europese Unie overigens, geen enkele poging ondernomen om de draad weer op te pakken. Om over de regering Trump, aangetreden in 2025, maar helemaal te zwijgen. De onderhandelingen liggen nu dan ook alweer bij na tien jaar helemaal stil. Een onverantwoorde situatie, gelet op de enorme omvang van de gezamenlijke economieën.

Er was vanaf het begin al veel kritiek op TTIP. Kleine ondernemers in de EU meenden dat alleen grote multinationals er voordeel bij zouden hebben. Consumentenorganisaties waren bang voor te veel concessies op het gebied van veiligheid en milieu.

Hetzelfde zien we gebeuren met betrekking tot de CETA (Comprehensive Economic and Trade Agreement) overeenkomst tussen de EU en Canada. Nederland mag dan wel akkoord zijn gegaan (de Tweede kamer in 2020 en de Eerste Kamer in 2022), maar afwijzing dreigt nog steeds in een aantal Europese landen. Een deel van de overeenkomst, met name op het gebied van duurzaamheid, is met wederzijds goedvinden overigens al in werking getreden.

De belangrijkste reden voor forse kritiek en de uiteindelijke afwijzing door landen is vaak de afspraak om te komen tot een internationaal arbitragetribunaal met als doel meningsverschillen over de handel tussen deelnemende landen te beslechten. Het feit dat daarmee op diverse terreinen een groot deel van de handelssoevereiniteit van de deelnemende landen verloren zou gaan was steen des aanstoots.

Ook bij TTIP was juist dit onderdeel het meest omstreden onderdeel van de overeenkomst.

Verder was er veel kritiek op het feit dat men in TTIP, een verdrag van minstens duizend pagina’s, er alles aan leek te doen elk onderwerp juridisch volledig dicht te timmeren. Het voorstel voor de “Investor-to-state dispute settlement” (ISDS) was zoals hierboven al gezegd een majeur punt van kritiek. Een internationaal arbitragetribunaal, voorbijgaand aan de nationale rechtspraak was voor velen in politiek en samenleving gewoonweg niet aanvaardbaar.

Gelet op de enorme economische potentie van de wederzijdse handel tussen Noord-Amerika en Europa is dit een gemiste kans die aan beide kanten van de Atlantische Oceaan grote economische nadelen oplevert. Om de welvaart te behouden is het van belang de draad na de periode Trump spoedig weer op te pakken. En dan in de vorm van een compact en overzichtelijk handelsverdrag dat op geen enkele wijze inbreuk maakt op de soevereiniteit van de deelnemende landen.

Een vrijhandelsakkoord dat een gelijk speelveld garandeert en voorziet in een gezamenlijk anti-dumpingbeleid.

Het is tijd voor een veel eenvoudiger handelsakkoord

Waarom moeten handelsakkoorden omvangrijk zijn en op alle details helemaal dichtgetimmerd?

Zo zit de echte wereld helemaal niet in elkaar. Het kan allemaal stukken eenvoudiger.

Het zou heel wat problemen wegnemen als een handelsakkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten gebaseerd zou kunnen worden op het volgende model.

  1. Alle importheffingen over en weer worden in principe geschrapt.
  2. Nationale wetgeving en regelgeving met betrekking tot milieueisen, sociale zaken, consumentenveiligheid enz. blijven onverkort gelden.
  3. Eisen aan producten en investeringen mogen in een land voor buitenlandse ondernemers niet anders zijn dan voor binnenlandse ondernemers.
  4. Bij meningsverschillen zijn de nationale rechtbanken aan zet.

Concreet betekent dit vrije handel zonder financiële belemmeringen in de vorm van importheffingen.

Niemand hoeft bevreesd te zijn dat geïmporteerde producten niet voldoen aan de in eigen land geldende eisen op het gebied van veiligheid, dierenrechten of milieu, deze blijven immers onverkort gelden in het importerende land.

Er moet sprake zijn van een ‘level playing field’. Dus eisen aan geïmporteerde producten of buitenlandse investeringen mogen niet discrimineren ten opzichte van de eisen voor binnenlandse producten en investeringen.

En als er dan toch een meningsverschil is geeft de nationale rechter in het importerende land een oordeel.

Landen dragen in deze opzet geen bevoegdheden over aan een supranationale structuur die de nationale soevereiniteit uitholt.

Het ligt voor de hand een nieuw Transatlantisch verdrag, volgens de hiervoor genoemde uitgangspunten, niet alleen met de Verenigde Staten, maar gelijktijdig met alle drie de USMCA partners af te sluiten. De vrees dat Mexico te zeer een lage-lonen-land is kan worden weggenomen. Overigens kan hetzelfde gezegd worden over het loonniveau in Zuid-Oost-Europese landen in de EU.

Ook in deze opzet voor een eenvoudiger handelsakkoord blijft het van belang rekening te houden met een gelijk speelveld. Het zal duidelijk zijn dat het volledig open gooien van de markt een groot risico inhoudt als deelnemende landen aan een dergelijke overeenkomst zogenaamde lage lonen landen zijn, of landen waar de overheid bedrijfstakken zwaar subsidieert. Daarom moet op de eerste plaats ook naar deze opzet gekeken worden als vervanger voor het TTIP akkoord. Een akkoord tussen twee handelsblokken die aan elkaar gewaagd zijn wat loonniveau en subsidieregelingen betreft.

De toetreding van andere landen tot een dergelijk handelsakkoord is dan voorlopig voorbehouden aan landen die aan het gelijk speelveld principe voldoen. Het niet afsluiten van deze zeer vergaande vrijhandelsakkoorden met landen die er nog niet klaar voor zijn ligt voor de hand. Wel kunnen dan door middel van voorlopige verdragen deze landen geholpen worden het ultieme doel van deelname aan volledige vrijhandel te bereiken.

Eenvoudiger kunnen we het toch echt niet maken.

Het bovenstaande mag gelezen worden als oproep aan alle onderhandelaars, politici, handelseconomen en een keur aan andere betrokkenen. Neem deze uitdaging aan en ga aan de slag. Want internationale handel is wereldwijd een bron van welvaart en bestaanszekerheid!

Jo Spätgens